Welkom op de website van de Brunings

 

 

 

 

 

 

 

Geschiedenis

 

Het schip werd gebouwd in 1900 op de werf van Jan Meursing om als directievaartuig van Rijkswaterstaat dienst te doen op de grote rivieren. De vorm van de boeg maakte het schip tevens geschikt als ijsbreker; door de oplopende boeg onder water schoof het schip op het ijs, waardoor dat brak.

De scheepsafmetingen zijn: Lengte over alles: 29,20 meter. Breedte over de spanten: 6,25 meter. Holte in de zijde: 2,80 meter.

De voortstuwing geschiedt door een compound-machine van 375 ipk. De stoom wordt geleverd door een Schotse ketel met een kolenstook installatie. In 's Rijksdienst volgde een actief doch beschut bestaan. Het schip werd niet afgejakkerd en ontving regelmatig onderhoud. Het opereerde zelden op zout water en lag veelal met afgebankte vuren vaarklaar voor inspectie reizen of in de winter, voor het openhouden van de Waal en nevenrivieren.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog voer de Brunings als bevoorradingsschip voor de Marine in een geregelde doch niet zeer frequente dienst tussen Hellevoetsluis en Vlissingen. In 1926 plaatste de Rijkswerf een nieuwe ketel, een stoomdynamo en een stuurmachine.

De Brunings bleef een deftig schip. Tegen het eind der jaren dertig voer het voor de Directie van het arrondissement "Rotterdamse Waterweg". In 1943/44, de tijd van de vorderingen en het steenkolentekort, dook het onder in de grienden van het Hartelse gat. Na de oorlog geraakte de Brunings enigszins in diskrediet. Op de Waterweg paste geen oude stoomboten voor de havendienst was het schip niet vief genoeg. Men wenste snelle motorboten en het directieschip werd gedegradeerd tot meetvaartuig voor de benedenrivieren.

Doch de Brunings bleef zichzelf en weigerde te verpauperen. Het personeel ging voort het te verzorgen als een jacht en geleidelijk werd de verouderde stoomboot tot een curiosum dat vele vrienden kreeg. De ingenieurs van de Waterloopkundige Dienst prefereerden het boven de sidderende motorboten. Het schip kreeg belangrijke gasten te vervoeren naar de Deltawerken. Hare majesteit de Koningin, ministers en burgemeesters scheepten zich op de Brunings in, doch met de groeiende populariteit bleef ook het einde naderen.

Operationeel paste het schip reeds lang niet meer in het nieuwe bestel. Het openhouden van de rivieren kon in toenemende mate worden uitbesteed aan sleepvaartbedrijven. Het werkterrein van De Waterloopkundige Dienst verplaatste zich westwaarts tot buiten de zeegaten, voor welk gebied een moderne kotter werd besteld.

Een der ingenieurs van Rijkswaterstaat, Jhr.A.L.van den Brandeler die zich bijzonder voor de Brunings interesseerde, besloot te trachten het schip voor de sloop te behoeden en richtte zich hiertoe o.a. tot het Scheepvaart Museum. De museumleiding reageerde positief, in het besef dat hier waarschijnlijk het laatste schip met een bedrijfszekere compoundstoommachine en kolen gestookte Schotse ketel betrof; een klassieke installatie in goede conditie. Voorts paste het object in het concept van het toekomstige Rijksmuseum Nederlands Scheepvaart Museum, waar een aantal grote realia een plaats zouden kunnen vinden.

Aanvankelijk scheen er een mogelijkheid te bestaan, het schip zonder kosten voor de "vereniging", ten behoeve van het toekomstige Rijksmuseum Nederlands Scheepvaart Museum te reserveren. Tot een dergelijke regeling bleken niet alle betrokken instanties bereid, met als gevolg dat de Brunings door de Dienst der Domeinen tegen sloopwaarde werd aangeboden. het verenigingsbudget liet geen onverwachte uigave van betekenis toe, doch de overdracht kon tenslotte op 1 november 1968 te Hellevoetsluis tot stand komen, dank zij de steun van onderstaande bedrijven en particulieren:

Stichting "Het Amsterdamsche Fonds "Vereeniging "De Amsterdamsche Haven" N.V. Philips Gloeilampenfabrieken N.V. Rijn Schelde Verenigde Machinefabrieken Verolme Verenigde Scheepswerven N.V. Wilton Fijenoord N.V. alsmede: de Heer J.W.Hupkes Ir.K.van der Pols Schout bij Nacht b.d. H.J.van der Stad.

 

 

 

 

 

History (geschiedenis)

The ship was built in 1900 at the yard of Jan Meursing to serve as management vessel for the Ministry of transport, Public Works and Water Management (Rijkswaterstaat) to do duty on the major rivers. The ship was also suitable as icebreaker, because of the shape of the bow under water the ship could glide on the ice, which than broke.

The measurements are: Length overall: 29.20 meters. Beam on the frames: 6.25 meters. The propulsion is made by a compound steam engine of 375 ipk. The steam is delivered by a Scottish boiler with a coal burning installation.

In National Service followed an active but sheltered existence. The ship received regular maintenance. It rarely operated on salt water and lay mostly with small fire ready for inspection tours or in the winter, for keeping the waterbuses open on the Waal and other rivers. During the First World War the Brunings served as a supplier for the Navy in a regular but not very frequent service between “Hellevoetsluis and Vlissingen”.

In 1926 the governments dockyard placed a new boiler, a steam dynamo and a steering engine. The Brunings remained a dignified ship. By the end of the thirties it served for the Department of the district "Rotterdam Waterway. In 1943/44, the time of war claims and short of coals, it was hidden in the “Hartelse gat” near the the national park “Biesbosch”. After the war the use of the Brunings was somewhat discredited. On the Waterways was no place for old steamships, for the port the ship was not smooth enough. Men wanted fast motorboats and the ship was demoted to measuring vessel for the down rivers.

But the Brunings remained himself and refused to pauperize. The staff went on to take care of the ship as a yacht and gradually the old steamer became a curiosity that many friends had. The engineers of the Department preferred it above trembling motorboats. The ship was used to transport distinguished guests to the Delta works. Her Majesty the Queen, ministers and mayors embarked on the Brunings, but with the growing popularity the end was also nearing.

Operational the ship was for little or no use in the new system. The work as icebreaker to open the rivers could increasingly be outsourced to tugboat companies. The working area of “Rijkswaterstaat” was moved westward to the sea. A modern cutter was ordered to do this job. On intervention of the engineers of “Rijkswaterstaat” it was decided to save the ship from scrapping and offer the ship to the Dutch Maritime Museum. The museum management reacted positively, in the sense that this was probably the last vessel with a reliable compound steam engine and coal-fired Scottish boiler, a classic installation in good condition. The transfer to the Amsterdam museum was finally on 1 November 1968 thanks to the support of the following companies and individuals: Stichting "Het Amsterdamsche Fonds "Vereeniging "De Amsterdamsche Haven" N.V. Philips Gloeilampenfabrieken N.V. Rijn Schelde Verenigde Machinefabrieken Verolme Verenigde Scheepswerven N.V. Wilton Fijenoord N.V. alsmede: de Heer J.W.Hupkes Ir.K.van der Pols Schout bij Nacht b.d. H.J.van der Stad.

Museum time

The ship as a museum ship is maintained by volunteers, who keep it as good as possible in his original shape. In this period also a new boiler was needed, a suitable one was found at “Vlaardingen” and built in. In 2007 a new propeller was placed by the “Oranjewerf” dockyard. Regular maintaining is done by the volunteers in a two days a week schedule. The ship now is used to make seasonal passenger trips of one hour from the museum into the Amsterdam harbour, its to rent for particular daytrips, and makes its presence at steam and maritime events in the Netherlands en Belgium.

For contact Brunings (volunteers) crew mail: bemanning@christiaanbrunings.nl or contact the volenteers crew by writing into the guest-book.